Alleen als ie ijs en ijskoud is
Als ijsberen ijs schijten, dan is het pas koud. Ik kreeg het te horen van een bikkel, lang geleden, toen ik blauwbekkend in windkracht zes een waterleiding met een gasbrander probeerde te ontdooien. Ik moest daaraan denken toen ik de winterbeelden uit Rusland zag in het journaal. Ruim dertig graden onder nul en hele wijken die al dagen zonder verwarming zaten. IJsschijtende ijsberen kwamen niet in beeld, dus het zal ook daar wel meegevallen zijn met de kou.

Van vrieskou raakt Nederland in de war. Na één nachtvorstjes zijn de wissels van de spoorwegen vastgevroren, storten auto's zich massaal als lemmingen in sloten en greppels, haalt half Nederland de ijzers uit het vet en begint te raaskallen over "de tocht der tochten" die alleen maar doorgaat als het twee weken lang zo koud is dat een snottebel bevriest voordat hij de grond raakt als je die uit je ene neusgat schiet door met je duim je andere neusgat dicht te houden en zo hard mogelijk te snuiten. Onsmakelijke praat, maar echte bikkels gebruiken geen zakdoeken.

Ik heb de Elfstedentocht nog nooit geschaatst, maar wat niet is kan nog komen. Ik zie mezelf al met een ouwe krant onder mijn trui in de ijstijd klunen om 200 kilometer later mijn tot ijspegel getransformeerde stempelkaart voor de laatste keer los te bikken, zodat het felbegeerde Elfstedenkruisje de volgende dag mijn vitrinekast vol heldendadenmemorabilia kan sieren. Mijn bevroren tenen, vingers en neus zal ik misschien voorgoed moeten missen, maar met een ijskoude Berenburg in mijn stompjes zal ik in de kroeg kunnen verhalen over mijn prestatie der prestaties. Ach, meer dan één vinger voor de afstandbediening van de televisie heeft een mens eigenlijk niet nodig.

Ook kijken naar schaatsen is mooi, al snapt mijn geliefde daar niets van. Die verlangt bijna naar belspelletjes - de moderne variant van het testbeeld - bij elke schaatsafstand langer dan 500 meter. Dat neemt niet weg dat schaatsen op kunstijs in een hal eigenlijk geen echt schaatsen is, niet voor de ware bikkels. Die schaatsen buiten, op natuurijs, bij voorkeur in arctische temperaturen. Echt schaatsen is het ontwijken van scheuren. Echt schaatsen is met zestig per uur over een vaart schieten als de wind in je rug blaast en nauwelijks vooruit komen als je hem tegen hebt. Een echte schaatser heeft een baard met ijspegels, een echte schaatser voelt geen kou. Ja, soms zie ik mezelf al gaan als een echte schaatser. Mijn voeten gaan heen en weer, ik hoor het ritmische geluid van mijn klapschaatsen die terugveren na elke slag, twee handen op mijn rug, kop voorover in de wind...

Ik ben alleen nog steeds geen bikkel. Na een kilometer of tien sterf ik van de pijn in mijn enkels, na twintig kilometer weet ik zeker dat al mijn ledematen zijn afgestorven en na dertig kilometer krijg ik na elke slag een bijna dood ervaring. Veertig kilometer aan één stuk heb ik nog nooit gehaald, maar ik weet bijna zeker dat als me dat een keer lukt, ik langs de kant ijsberen ijs zal zien schijten.

© Martin Muires | 25 januari 2006